"God is getrouw ..."

1Kor.1:9

Gebed om Herleving

"... Die het ook doen zal"

1Thess. 5:24

Geschiedenis / Europa / Nederland / Woubrugge

 

 

Opwekking in Woubrugge (ca. 1730)

 

Alexander Comrie (1706-1774), op 1 mei 1735 bevestigd in Woubrugge, schrijft het volgende over deze gemeente:

 

“Van oude tijden af heeft de Heere alhier een Kerk gesticht, en u vele brave mannen toegezonden. Ondertussen, gelijk gij weet, is het werk van krachtdadige bekering op een bijzondere wijze doorgebroken onder u, door de dienst van wijlen uw geliefde leraar, de Eerw. Geleerde en nu zalige Ds. CAROLUS BLOM, mijn waarde voorganger in het werk van de Heere onder ulieden.”

 

Uit het voorwoord in zijn boek: Verhandeling van enige eigenschappen van het zaligmakend geloof (1743)

 

----------

 

 

Verwijzend naar de verandering die in Woubrugge plaatsvond door middel van een jonge boer, Claes Jansz. Poldervaart, schreef Kuyper:

 

“In dit dorp was, zoals Comrie naderhand zelf vertelde, sinds jaar en dag niets geweest dan uiterlijk godsdienstig vertoon. Er was veel rechtzinnigheid en zelfs kennis die leidde tot historisch geloof, maar de kracht van de Heere was niet duidelijk, de werking van de Heilige Geest vertoonde zich niet.

Het was de stilte van het graf ... Poldervaart trachtte met alle middelen het volk op te wekken uit hun onverschilligheid, drong er bij jong en oud op aan hun vals vertrouwen prijs te geven en hield nooit op in zijn gebeden de zielen van allen om hem heen op te dragen aan de troon van Gods genade.

Zo deed hij gedurende acht jaar, maar zonder het minste glimpje van succes, tot de Heere tenslotte, na negen jaar geduldig wachten, neerdaalde in antwoord op zijn smeekbede. Het werk van de Heere toonde zich dermate opvallend en treffend dat velen iedere zondag uit verschillende plaatsen in de omgeving kwamen om getuige te zijn van de uitstorting van geestelijke zegen.

En hoewel dominee Blom, in die tijd predikant van die gemeente, zich in het begin verzette tegen die beweging, die zijn bediening in de schaduw stelde, bleek de opwekking zo algemeen en zo aanhoudend en behield een dermate hoog gehalte, dat hij tenslotte toegaf en deel kreeg aan de onuitsprekelijke zegen voor zijn eigen ziel. Tot zijn dood in 1734 gaf hij vanaf de kansel getuigenis van het grote en heerlijke werk van de Heere.

Ik heb deze opwekking opmerkelijk genoemd, omdat zij geen wilde en wereldse bevolking naar het kruis voerde, maar een gemeente van strikt orthodoxe en uiterlijk onberispelijke gemeenteleden. Zij was des temeer opmerkelijk vanwege het gave karakter dat zij vanaf het begin aannam en tot het einde handhaafde, zoals door Comrie in deze bewoordingen werd beschreven:

‘Het werk van de Heere in ons dorp was zodanig dat alle werkelijk bekeerde mensen, die het zegel van de Geest kregen, zich constant rond de Middelaar als hun gemeenschappelijk middelpunt bewogen, alles verwerpend behalve de Borg Zelf.’”

 

Pinksteren vandaag, Iain H. Murray

De Banier