"God is getrouw ..."

1Kor.1:9

Gebed om Herleving

Gebed om Herleving

"God is getrouw ..."

1Kor.1:9

"... Die het ook doen zal"

1Thess. 5:24

Gebed / Verootmoediging / Preston

 

Uit een preek van John Preston (1587-1628)
 

2 Kron. 7:14: ‘Zo Mijn volk, waarover Mijn Naam genoemd wordt, zich verootmoedigt.

“De noodzakelijkheid van verootmoediging:
– Het is een vereiste dat mensen verootmoedigd zouden zijn, omdat zij zich anders niet daadwerkelijk zullen bekeren van hun boze wegen, noch aan Christus gehoorzamen in alle dingen van hun leven. Een ongebroken hart is gelijk een ongetemd paard, dat de toom niet wil verdragen om erdoor geleid te worden; gelijk een ongetemde vaars die niet onder het juk wil gaan. God kan zulk een mens bevelen wat Hij wil, maar die wil doen wat hem behaagt. Maar wanneer het hart is gebroken en eenmaal verootmoedigd, dan zal, evenals Paulus bevend zei, ook hij zeggen: ‘Heere, wat wilt Gij, dat ik doen zal?’, Hand. 9:6. Ik wil doen wat Gij wilt, ja, en lijden wat Gij wilt; roep mij om voor U te lijden. Indien deze vraag aan Paulus was gesteld voordat hij aldus verootmoedigd was, zou hij een ander antwoord hebben gegeven.

God kan ons gebieden wat Hij wil, maar wij, als weerspannige dienstknechten, zullen doen wat wij goed achten. Wij zijn hoogmoedig en ongebroken, en hoogmoed is de oorzaak van alle ongehoorzaamheid; en daarom wordt er gezegd dat hoge gedachten die zichzelf verheffen tegen de kennis Gods, ternedergeworpen moeten worden, voordat iedere gedachte geleid kan worden tot de gehoorzaamheid van Christus, 2 Kor. 10:5. Zij verheffen zichzelf tegen de kennis van God en Zijn wil; want wanneer Zijn wil bekend is, geeft het hart zich nog steeds niet over. Wanneer de Heere iets beveelt, zoals om zich te wachten voor slecht gezelschap, of om te passen op hun spraakgebruik, staan mensen, zolang zij niet verootmoedigd zijn, klaar om over de kwestie tegenwerpingen te maken, en zullen uiteindelijk in het geheel niets doen.

Maar wanneer een mens verootmoedigd is, en de hoge gedachten terneder zijn geworpen, dan brengt hij iedere gedachte en genegenheid, die zichzelf tevoren verhief, tot de gehoorzaamheid van Christus. En zoals alle ongehoorzaamheid voortkomt uit hoogmoed en weerspannigheid van de wil, zo komt alle gehoorzaamheid voort uit nederigheid. Wanneer het hart verootmoedigd is, is het voor God buigzaam gemaakt; ‘Op deze zal Ik zien, op de verslagene van geest en die voor Mijn woord beeft’, Jes. 66:2. Ze worden daar beide samengevoegd; dat is, wanneer hij enig gebod van God hoort, is hij bevreesd om het te breken, bevreesd om zelfs maar de gelegenheden tot zondigen toe te laten. (...)
– God zou de lof van Zijn oordelen en van Zijn barmhartigheid niet ontvangen door het oordeel weg te nemen, tenzij de mensen eerst verootmoedigd waren; want indien God, wanneer Hij mensen verdrukte, ze weer zou herstellen zonder deze verootmoediging, zouden zij denken dat God hen tevoren verongelijkte, en hen nu niet dan recht deed. Maar wanneer God hen zó ver verootmoedigd heeft, dat zij Zijn rechtvaardigheid erkennen om hen te verdrukken, en naar hun eigen verdiensten tot het uiterste te verderven, en zij belijden dat het enkel Zijn goedertierenheid is dat zij niet vernield zijn, en zichzelf onder Zijn krachtige hand vernederen, indien dán het oordeel wordt weggenomen, en Zijn toorn overwaait, dan geven zij Hem de lof van Zijn barmhartigheid en oordelen. (...)

De reden voor verootmoediging: (...)
Niets is aangenaam voor God, totdat het hart verootmoedigd is: u kunt bidden, hetwelk een andere voorwaarde is, en u kunt horen, enz. maar alles wat u doet is slechts verloren arbeid, tenzij het voortkomt uit een gebroken hart.
– Want dat is alleen een geschikte offerande voor God, zonder welke daad geen offerande wordt aangenomen. Dit kunt u zien in Ps. 51:18, 19: ‘Gij hebt geen lust tot offerande, anders zou ik ze geven; in brandoffers hebt Gij geen behagen. De offeranden Gods zijn een gebroken geest; een gebroken en verslagen hart zult Gij, o God, niet verachten.’

David wist dat, totdat zijn hart was gebroken, al zijn goede daden en alle heilige plichten tevergeefs zouden zijn geweest, en het is alsof David gezegd zou hebben: Heere, voordat ik aldus was verootmoedigd, en mijn hart aldus gebroken (zoals hij in het begin van de psalm tot uitdrukking had gebracht dat het was), hadt Gij geen lust tot offerande van mij, noch zoudt Gij behagen hebben gehad in brandoffers van mij; maar de offeranden Gods zijn een gebroken geest, en andere plichten worden alleen aangenomen als zij daaruit voortkomen. Dit is de hoofdofferande, en zonder dat, is niets aangenaam; tenzij deze wordt gelegd op dit lage altaar dat de offerande heiligt. (...)
– Niets wordt aangenomen, totdat de Heilige Geest in het hart woont; en totdat een mens verootmoedigd is, woont de Geest Gods niet in zijn hart: en daarom, wat hij doet riekt tot dan toe niet naar de Geest, maar naar een vleselijk hart, en is zo niet aangenaam. Totdat een mens verootmoedigd is, houdt hij de deur voor de Heere en Zijn Geest gesloten. Er is iemand van binnen, zijn hart is reeds vol; hij woont zelf in zijn eigen hart; daarom wordt in Jes. 57:15 gezegd dat God woont in een verbrijzeld hart; dat is, daarin alleen; want daar is slechts ruimte voor Hem om te doen wat Hij wil in al de kamers ervan.
– Totdat een mens in alle dingen gehoorzaam is, is niets wat hij doet aangenaam: hij die zijn oor afwendt van de wet, diens gebed is gruwelijk. Nu, iemand die niet door en door verootmoedigd is, kan in vele dingen gehoorzaam zijn; hij kan bidden, enz. maar nochtans zal hij zijwegen van zichzelf hebben; hij heeft zichzelf niet ten volle verzaakt, dat is, niet verootmoedigd: nu, tenzij de gehoorzaamheid van een mens algemeen is, is niets aangenaam.”

The Golden Sceptre, John Preston, D.D.
Soli Deo Gloria Publications