"God is getrouw ..."

1Kor.1:9

Gebed om Herleving

Gebed om Herleving

"God is getrouw ..."

1Kor.1:9

"... Die het ook doen zal"

1Thess. 5:24

 

Een kerkdienst bij de Waldenzen op zondag 21 juli 1844,

in Serre (Angrogna-dal)

 

Uit een verslag van de Schotse ds. Ebenezer Henderson (1784-1858).

 

“De godsdienstoefening begon daarmee, dat de voorlezer (tevens schoolmeester), die zijn plaats had aan een lessenaar voor de predikstoel, de eerste drie kapittels las uit de brief aan de Efeziërs. (...) Toen liet hij de Tien Geboden volgen, en besloot met te lezen Matth. 22:37-40, als bevattende de hoofdinhoud van de wet. Hierop beklom de leraar, professor Revel, de predikstoel, en las de volgende belijdenis van zonden voor, die de gemeente staande aanhoorde.

‘O Heere God, eeuwige en almachtige Vader! Wij belijden en erkennen voor Uw heilige Majesteit, dat wij ellendige zondaren zijn, die in zonde en verderfelijkheid ontvangen en geboren zijn, geneigd tot alle kwaad, en uit ons zelf onbekwaam tot enig goed; en dat wij op veelvuldige wijze Uw heilige geboden overtreden, waardoor wij van Uw gerechtigheid veroordeling en de dood verdiend hebben. Maar, o Heere! Het is ons tot diepe droefheid, dat wij dusdanig tegen U gezondigd hebben; wij veroordelen onszelf en onze boosheid, en wensen daarover een oprecht berouw te bewijzen, en wij bidden dat Uw genade ons daarbij sterke en helpe. Dat het U dan behagen moge, goedertieren God, Vader van alle barmhartigheid, om U over ons te ontfermen, in de Naam van onze Heere Jezus Christus, Uw Zoon. En schenk ons bij de vergiffenis van onze zonden de hulp van Uw Heilige Geest, ja, doe de invloed daarvan dagelijks sterker worden in onze harten; opdat wij, bij de ootmoedige belijdenis van onze zonde en ongerechtigheid, die oprechte droefheid daarover mogen gevoelen, die de zonde in ons gemoed kan verstikken, en waardoor wij die vruchten van gerechtigheid en heerlijkheid zullen kunnen voortbrengen, die welbehagelijk zijn in Uw ogen; alles door Jezus Christus onze Heere. Amen.’

 

Alsnu gaf de predikant enige verzen op van een psalm, die door de gemeente zittende gezongen werden. Ieder had een psalmboek, waarin de noten boven de woorden geplaatst zijn. Zij zongen uit volle borst, en met veel uitdrukking, zodat het mij duidelijk werd, niet alleen dat het godsdienstig gezang hier in hoge achting staat, maar ook dat men er zich vlijtig op toelegt. De melodie ademde een zachte, treurige stemming. Toen het zingen afgelopen was volgde onderstaand gebed:

‘O almachtig God, onze hemelse Vader! Wij smeken U op grond van de belofte, dat Gij in het midden wilt zijn van degenen die in Uw Naam vergaderd zijn, en dat Gij ons horen wilt zo vaak wij U aanroepen in de Naam van Uw Zoon, dat Gij thans genadig op ons wilt nederzien, en onze gedachten en wensen wilt opwaarts leiden tot U, opdat wij in dit uur U dienen mogen op een wijze die U welbehagelijk is.

Grote God! Wij verootmoedigen onszelf voor U; wij aanbidden Uw oneindige Majesteit; wij prijzen Uw wijsheid, Uw macht en Uw goedheid, die zozeer kennelijk zijn uit het grote werk der schepping, gelijk uit dat der verlossing door Christus Jezus. Wij danken U, o Heere! voor al de tijdelijke en geestelijke genadegiften, welke wij onophoudelijk uit Uw weldoende hand ontvangen. Maar wij wensen thans, met alle christenen die heden gelijk wij in het heiligdom zijn opgegaan, U dáárvoor meer bijzonder te loven en te prijzen, dat Gij Uw Zoon in de wereld hebt gezonden voor onze verlossing; en dat, nadat Gij Hem hadt overgegeven voor onze overtredingen, Gij Hem hebt opgewekt tot onze rechtvaardiging. Wij danken U, dat Gij ons door Zijn heerlijke opstanding de levende hoop hebt geschonken van onsterfelijkheid.

O God! Groot is Uw eer in al Uw gemeenten, en de roem van Uw Naam wordt hoog verheven in alle vergaderingen van Uw gelovigen. O mogen ook onze dankzeggingen opklimmen tot Uw troon! Maak ons waardig om hiernamaals te delen in de opstanding van de rechtvaardigen, en in de glorie van het koninkrijk der Hemelen, hetwelk Christus Jezus als onze Voorganger is binnengegaan, en alwaar Hij leeft en regeert, waar Hij wordt aangebeden en grootgemaakt, met U en de Heilige Geest, God voor eeuwig en altoos.

O God! Gij Die ons wilt onderwijzen door Uw Heilig Woord, schenk ons, daar wij heden zijn samengekomen om dat Woord te lezen en een gedeelte ervan te overpeinzen, die helderheid van verstand en die reinheid van gemoed, die nodig is, opdat wij de dingen welke daarin ons geopenbaard worden goed verstaan, en met een gelovig hart aannemen mogen. Sterk Uw dienaren, opdat zij Uw Woord mogen verkondigen in zijn zuiverheid, en met duidelijkheid, eenvoudigheid en ijver. Maak hun prediking krachtig en heilzaam door de werking van de Heilige Geest, opdat het goede, heilige zaad in onze harten moge ontvangen worden als in een wél toebereide akker, en opdat wij mogen vruchten voortbrengen in rijke overvloed.

Mogen wij niet slechts hoorders zijn van Uw Woord, maar ook beoefenaars van de lessen en voorschriften daarin gegeven, en mogen wij ten laatste de eeuwige zaligheid deelachtig worden, door Jezus Christus, Die ons geleerd heeft te bidden: Onze Vader Die in de hemelen zijt, ...’

 

Alsnu nam mijn vriend Revel het 22e hoofdstuk van Mattheus, vers 1-14, tot tekst voor zijn leerrede; en daarin wees hij op duidelijke wijze aan, hoe God in Zijn oneindige liefde en barmhartigheid aan de verlossing van zondaren had gedacht, en in hoe uitgestrekte zin en in welke milde geest de verkondiging van het Evangelie daartoe het middel mocht zijn; daarentegen toonde hij aan dat wij mensen steeds op allerlei uitvluchten en verontschuldigingen bedacht zijn, in plaats van gaarne en dankbaar de genadegift Gods aan te nemen; terwijl hij aan het slot het rampzalig einde derzulken schetste, die zich verharden tegen de roepstem van de Goddelijke liefde.

De leerrede kenmerkte zich door een stijl die voor het eenvoudigst gemoed verstaanbaar mocht geacht worden; door een ernst en een zeggingskracht, die niet missen konden de aandacht te boeien en het gemoed aan te grijpen; eindelijk door een uiterst gepaste wijze, om uit het verhandelde leringen en vermaningen af te leiden naar de verschillende behoefte van de hoorders, zodat wel niemand van hun het bedehuis zal verlaten hebben, zonder dat hij in meerdere of mindere mate zijn eigen beeld had kunnen herkennen, in de bijzonderheden door de leraar ontwikkeld.

Mijn vriend Revel las zijn leerrede niet, en predikte evenmin volgens een schets; hij sprak zijn opstel integendeel uit het hoofd uit, terwijl hij het vooraf nauwkeurig in zijn geheugen had geprent, alhoewel het mij toch voorkwam dat nu en dan een uitweiding plaats had, wanneer zich een nieuw gelukkig denkbeeld onder het spreken voordeed. Deze manier van preken wordt door de Waldenzer leraars algemeen gevolgd; en zeker is het, dat een predikant die zijn opstel mocht willen voorlezen, slechts op een zeer beperkt gehoor zou kunnen rekenen.”

 

Geschiedenis der Waldenzen, Antoine Monastier (1851)

Geschiedenis / Europa Italië / Kerkdienst Serre