"God is getrouw ..."

1Kor.1:9

Gebed om Herleving

Gebed om Herleving

"God is getrouw ..."

1Kor.1:9

"... Die het ook doen zal"

1Thess. 5:24

Gebed / Verootmoediging / T. Foxcroft

 

Droefheid naar God
 

Zij zijn tot op deze dag nog niet verbrijzeld van hart; en zij hebben niet gevreesd, noch gewandeld in Mijn wet en in Mijn inzettingen ... Daarom, zo zegt de Heere der heirscharen, de God Israëls: Zie, Ik zal Mijn aangezicht tegen ulieden stellen ten kwade.” Jer. 44:10, 11.
“Met Ezra moeten wij op onze knieën neervallen en zeggen: ‘Mijn God, ik ben beschaamd en schaamrood om mijn aangezicht tot U op te heffen, mijn God; want onze ongerechtigheden zijn vermenigvuldigd tot boven ons hoofd en onze schuld is groot geworden tot aan de hemel’ (Ezra 9:5, 6).
Bovendien, er moet ook een Goddelijke droefheid [1] en diep berouw van het geweten zijn, met een geest van heilig rouwklagen en ware verslagenheid van hart. Dit is een vereiste! ‘Weet dan en zie, dat het kwaad en bitter is, dat gij de Heere uw God verlaat’ (Jer. 2:19). En zoals vanzelfsprekend volgt, behoren wij ‘rouw te maken eens enigen zoons, een zeer bitter misbaar’ (Jer. 6:26). De apostel Petrus, na de verloochening van zijn Heere, is hier een illustratie van. Van hem wordt gezegd: ‘Naar buiten gaande, weende hij bitterlijk’ (Matth. 26:75).

De oproep van God tot iedereen van ons is, met de woorden van onze Zaligmaker: ‘Ga heen en doe gij desgelijks’ (Luk. 10:37). Er werd van sommigen geprofeteerd: ‘Zij allen zullen zijn gelijk duiven der dalen, kermende, een ieder om zijn ongerechtigheid’ (Ezech. 7:16). Bij het beschrijven van de Korinthiërs zegt de apostel: ‘Ik verblijd mij, niet omdat gij bedroefd zijt geweest, maar omdat gij bedroefd zijt geweest tot bekering; want gij zijt bedroefd geweest naar God ... Want de droefheid naar God werkt een onberouwelijke bekering tot zaligheid’ (2 Kor. 7:8-10).
Zulke boetvaardige rouwklagers moeten wij zijn, indien wij willen bewijzen waarlijk vernederd te zijn. Onze droefheid moet inwendig en ongeveinsd zijn. Wij moeten doorstoken zijn in het hart, onze geesten verwond, onze zielen versmolten in boetvaardige tranen. ‘Nu dan ook, spreekt de Heere, bekeert u tot Mij met uw ganse hart, en dat met vasten en met geween, en met rouwklage; en scheurt uw hart en niet uw klederen’ (Joël 2:12, 13). Wij moeten onze zielen verootmoedigen. Onze harten moeten gescheurd en verbroken zijn met een machtig besef van zonde en wij moeten als het ware in stukken vermalen worden met een droefheid die de overhand heeft.

Dit behoort voornamelijk te gebeuren in een tijd wanneer wij niet alleen onze eigen persoonlijke zonden bewenen, maar ook de zonden van anderen en van het land. Onze harten moeten in zulk een tijd als deze inderdaad vol zijn. Een grote en diepe smart betaamt ons, naar evenredigheid van de gronden en aanleidingen tot droefheid die zich voor onze ogen bevinden en welke, helaas, te dezen dage zeer omvangrijk en overvloedig zijn. Toch moet de rouwklagende boetvaardige zijn ontstemming en hartstochten binnen gepaste grenzen houden, gedenkend aan de waarschuwing van de apostel: ‘Opdat de zodanige door al te overvloedige droefheid niet enigszins worde verslonden’ (2 Kor. 2:7). (...)
Wij moeten al de zonden van onze gezinnen bewenen, al de zonden van de stad en van de regio waarin wij wonen, en al de zonden van de natie waartoe wij behoren.”

Uit een preek van Thomas Foxcroft (1696-1769), gehouden op donderdag 30 juli 1724.

Sanctify the Congregation, Edited by Richard Owen Roberts
International Awakening Press

-------
[1] Eng. vert. voor: droefheid naar God (2 Kor. 7:10).