"God is getrouw ..."

1Kor.1:9

Gebed om Herleving

Gebed om Herleving

"God is getrouw ..."

1Kor.1:9

"... Die het ook doen zal"

1Thess. 5:24

Kenmerken / Zonde-overtuiging / Bristol (USA)

 

Bristol in Connecticut (1799)

 

“De overtuigingen zijn rationeel, maar diep en krachtig geweest. Toen de personen voor het eerst ontwaakt waren, werden zij over het algemeen bewogen door een besef van gevaar. Zij beginnen over het algemeen met een besluit om en de verwachting van iets te doen om zichzelf beter te maken - om zichzelf aan God aan te bevelen en zich Zijn gunst te verwerven, terwijl zij geen juist besef hebben van hun algehele verdorvenheid van hart of zedelijke onbekwaamheid. Maar hoe meer zij zich toelegden op de godsdienstplichten en poogden zichzelf beter te maken, hoe bewuster zij zich werden van hun buitengewone verdorvenheid en schuld. Zoals de vrouw die al het hare ten koste had gelegd om genezen te worden door de medicijnmeesters, waren zij zich ervan bewust dat zij niets verbeterd waren, maar eerder slechter geworden. Zij werden er spoedig toe gebracht om te zien dat hun harten vol waren van zonde en verzet tegen God. Toen zij onder grondige overtuiging waren, erkenden ze gaarne dat ze zich ervan bewust waren dat ze grotelijks gekant waren tegen Gods hoedanigheid, wetten en regering - dat zij altijd gehandeld hadden vanuit een boos, zelfzuchtig hart en daarom nooit iets gedaan hadden dat recht was in de ogen Gods. Zij merkten op dat zij er tevoren geen idee van hadden dat zij tegen God gekant waren, maar gewoon waren te veronderstellen dat zij enige liefde tot Hem hadden en vele dingen deden die recht en Hem welbehagelijk waren, en dat het daarom leek alsof het hard en onrechtvaardig in God zou zijn om hen te verdoemen tot het verderf; maar dat zij zich er nu van bewust waren dat zij altijd tegen God gekant waren geweest - altijd hadden gehandeld vanuit een zondige gemoedsgesteldheid en zo tegen Hem aan het zondigen waren geweest in al hun zedelijke gedrag, en dat Hij hen rechtvaardig voor eeuwig zou mogen verstoten. In dit stadium van hun overtuigingen gevoelden zij dat hun grote zondigheid niet bestond in enig bijzonder zondig wangedrag of onzedelijkheid, maar in hun hart, die grote fontein en bron van alle boosheid, en in de algemene gemoedsgesteldheid die hen in heel hun gedrag aandreef. Zij waren er gevoelig van overtuigd dat zij nimmer enige werkelijke vrede of gelukzaligheid konden genieten, of delen in de heilige genietingen van de hemel, tenzij hun harten vernieuwd waren door de Goddelijke Geest. Zij waren zich er ook ten volle van bewust dat hun verdorvenheid en verzet tegen God en de heiligheid zodanig was, dat zij nimmer berouw zouden hebben en het Evangelie hartelijk omhelzen, tenzij zij beïnvloed werden door de Geest Gods; en dat Hij hen rechtvaardig zou mogen laten voortgaan en omkomen in hun zonden. Aldus gevoelden zij dat zij nederlagen aan de voeten van loutere soevereine ontferming - dat hun enige grond van hoop was, dat God door Christus Zich zou ontfermen over wie Hij Zich ontfermen zou. In deze toestand waren zij er zich van bewust dat de leer van de Goddelijke soevereiniteit of uitverkiezing, waartegen het mensdom zich van nature verzet en die hij met zulke verbittering loochent, hun enige grond van hoop was. Want indien God zich niet over hen zou ontfermen, totdat zij iets gedaan hadden om zichzelf aan Zijn barmhartigheid aan te bevelen of zich Zijn genade te verwerven, gevoelden zij dat hun geval hopeloos zou zijn. Ook gevoelden zij dat hun harten die zo algeheel verdorven of tegen God gekant waren, hen geen enkele rechte verontschuldiging zouden verschaffen om onboetvaardig te blijven; maar zij waren er gevoelig van overtuigd dat, zouden zij omkomen, de schuld op henzelf zou vallen. Dit gezicht van hun hoedanigheid en toestand ontblootte hen van hun eigengerechtigheid en zelfafhankelijkheid, maakte hen bewust van hun behoefte aan de Heere Jezus als hun Zaligmaker, om hen te verlossen beide van de macht én de straf der zonde, en bereidde hen zo toe om op Hem alleen te vertrouwen ter zaligheid.”

 

Uit een verslag van een Godsdienstige Opwekking in Bristol, Connecticut, in het jaar 1799, door ds. Giles H. Cowles.

New England Revivals, Bennet Tyler, D.D.

Richard Owen Roberts, Publishers