"God is getrouw ..."

1Kor.1:9

Gebed om Herleving

"God is getrouw ..."

1Kor.1:9

Gebed om Herleving

"... Die het ook doen zal"

1Thess. 5:24

Kenmerken / Tegenwoordigheid Gods / Amerika 1745-46

 

 

God onder de Indianen (Amerika 1745-46)

 

"De Goddelijke tegenwoordigheid scheen in het midden van de vergadering te zijn. (...)

Toen ik later meer persoonlijk sprak tot de een en ander, die, naar ik bemerkte, onder veel bekommernis waren, scheen de kracht van God op de gemeente neer te dalen ‘gelijk een geweldige gedreven wind’, die alles op zijn weg met een verbazingwekkende kracht neervelde. Ik stond verwonderd over de invloed die bijna alle toehoorders aangreep; en kon het nergens beter mee vergelijken dan met het onweerstaanbare geweld van een machtige stroom, of aanzwellende vloedgolf, die met zijn onverdraaglijke gewicht en druk al wat hem in de weg ligt, overweldigt en voor zich wegspoelt. Bijna alle personen van alle leeftijden werden samen neergebogen door bekommernis, en nauwelijks één iemand was in staat om de schok van deze verrassende werking te wederstaan. Oude mannen en vrouwen die jarenlang dronken ellendelingen waren geweest, en sommige kleine kinderen van niet meer dan zes of zeven jaar oud, bleken in benauwdheid over hun zielen te zijn, evenals personen van middelbare leeftijd. Het was duidelijk dat deze kinderen, sommigen van hen tenminste, niet enkel verschrikt waren door het zien van de algemene bekommernis, maar zich bewust waren gemaakt van hun gevaar, de slechtheid van hun harten, en hun ellende zonder Christus, zoals sommigen van hen het uitdrukten. De meest hardnekkige harten werden nu genoodzaakt om te buigen. (...)

Bijna allemaal baden en riepen zij om genade, in ieder gedeelte van het huis, en velen buiten de deuren; en tal van mensen konden gaan noch staan. Hun bekommernis was zo groot, elk voor zichzelf, dat niemand enige notitie scheen te nemen van de mensen om hen heen, maar ieder bad vrijuit voor zichzelf. Ik werd ertoe gebracht te denken dat zij, in hun eigen bevatting, evenzeer afgezonderd waren alsof zij zich, een ieder persoonlijk, in de dichtst begroeide wildernis bevonden; of liever geloof ik, dat zij over niets anders dachten dan zichzelf en hun eigen staat, en zo ieder afzonderlijk baden, hoewel allen tezamen. Het scheen mij toe dat er nu een nauwkeurige vervulling plaatsvond van die profetie, Zach. 12:10, 11, 12; want nu was ‘de rouwklage groot, gelijk die rouwklage van Hadadrímmon’; – en elk scheen ‘afzonderlijk te rouwklagen’. Ik dacht dat dit zeer overeenkwam met de dag van Gods kracht, vermeld in Joz. 10:14; want ik moet zeggen dat ik nooit een dag zag aan deze gelijk, in alle opzichten: het was een dag waarin, ik ben ervan overtuigd, de Heere veel deed om het koninkrijk der duisternis onder dit volk te vernietigen.

Deze bekommernis was over het algemeen hoogst rationeel en juist. Degenen die al een geruimere tijd ontwaakt waren, klaagden meer in het bijzonder over de slechtheid van hun harten; en degenen die pas ontwaakt waren, over de slechtheid van hun levens en daden; en allen waren bevreesd voor de toorn van God, en voor de eeuwige ellende als het verdiende loon van hun zonden. (...)

Het woord van God bleek in deze tijd met een Goddelijke kracht en invloed op de vergadering te vallen, vooral tegen het einde van mijn verhandeling; er was zowel een zoet versmelten als een bitter rouwklagen onder de toehoorders. De dierbare Christenen werden verkwikt en vertroost, in anderen werden overtuigingen weer levend gemaakt, en verscheidene personen die voorheen nog nooit bij ons waren geweest, kwamen voor het eerst tot ontwaking. Er was in de vergadering zóveel merkbaar van de Goddelijke tegenwoordigheid, dat het scheen dat ‘dit niet anders was dan een huis Gods en de poort des hemels’. Allen die enige smaak en lust hadden in Goddelijke dingen, konden door de liefelijkheid van die periode niets anders zeggen dan: ‘Heere, het is goed dat wij hier zijn.’ Indien er onder mijn volk ooit een verschijning was van het Nieuwe Jeruzalem ‘als een bruid die voor haar man versierd is’, dan was het zeker in deze tijd. Het was zó aangenaam vertoeven, daar waar zulke tekenen van de Goddelijke tegenwoordigheid waren, dat ik ’s avonds nauwelijks de plaats wilde verlaten om naar mijn logies te gaan. (…)

Een verrassende kracht vergezelde het woord dikwijls in zulke perioden; zodat de aanblik van de hele vergadering kennelijk veranderde, haast in een ogenblik, en tranen en snikken onder hen algemeen werden. (…)

De indrukken, door het woord van God op de toehoorders gemaakt, bleken duurzaam, rationeel en diep te zijn; ze waren de plechtige waarheden (door middel waarvan ze werden voortgebracht) waardig, en zeker niet het gevolg van een plotselinge schrik, of een verontrusting van het gemoed die zonder grond was. O, hoe schenen de harten van de hoorders te buigen onder het gewicht van de Goddelijke waarheden, en hoe duidelijk bleek nu dat zij die ontvingen en gevoelden, ‘niet als des mensen woord, maar als Gods woord’. Niemand kan een juist denkbeeld vormen van de aanblik van onze vergadering in deze tijd, dan degenen die een gemeente hebben gezien, welke op plechtige wijze met ontzag was vervuld, en diep onder de indruk gebracht door de bijzondere kracht en invloed van de Goddelijke waarheden, aan hen doorgegeven in de Naam van God. (…) Een Goddelijke invloed, hiervan ben ik overtuigd, vergezelde het woord in deze periode. De kracht van God bleek in de vergadering. (…)

De indrukken die op de gemeente in het algemeen werden gemaakt, schenen niet oppervlakkig te zijn, maar diep en hartroerend. O, hoe bereid bleken zij nu allen te zijn om iedere zaak die zij hoorden en waarvan zij overtuigd waren als hun plicht, te omhelzen en in te willigen. God was waarlijk in ons midden, terwijl Hij wederspannige harten boog en versmolt! Hoeveel tranen en snikken werden toen onder ons gezien en gehoord! Welk een levendigheid en intense aandacht! Welk een gretigheid en inspanning van gemoed bleek in de hele vergadering, ten tijde van de Goddelijke eredienst. Zij schenen verwachtend uit te zien naar het druipen van Gods woord, als de dorstige aarde, op de ‘vroege en spade regen’. (…)

Nadat de openbare eredienst voorbij was, ging ik naar mijn huis, terwijl ik mij voornam na een korte onderbreking opnieuw te preken. Maar ze kwamen spoedig binnen, de een na de ander, met tranen in hun ogen, om te weten ‘wat zij zouden doen opdat zij zalig werden’. De Goddelijke Geest paste wat ik tot hen sprak zódanig op hun harten toe, dat het huis spoedig vervuld werd van roepen en kermen. Ze stroomden bij deze gelegenheid allen samen; en degenen van wie ik reden had te denken dat ze in een Christusloze staat waren, werden bijna allemaal aangegrepen met bekommernis over hun zielen. Het was een wonderlijke tijd van kracht onder hen; en het scheen alsof God de hemelen had gebogen en was nedergedaald. Zó verbazingwekkend zegevierde dit werk [van God] over ouderen en jongeren, dat het scheen alsof niemand in een zorgeloze en natuurlijke staat zou worden gelaten, maar dat God nu op het punt stond de hele wereld te bekeren. Toen was ik geneigd om te denken dat ik nooit weer zou wanhopen aan de bekering van enige nog levende man of vrouw, wie of wat ze ook mochten zijn. Het is onmogelijk een juiste en levendige beschrijving te geven van de aanblik van zaken in deze periode; tenminste zulk één die een helder en gepast denkbeeld zou geven van de uitwerkingen van deze invloed. Men kon nu een aantal mensen zien die zich verblijdden dat God de krachtige invloed van Zijn gezegende Geest niet uit deze plaats had weggenomen; verkwikt dat ze zovelen zagen strijden om in te gaan door de enge poort; en bezield met zulk een bezorgdheid over hen, dat zij wel wensten hen vooruit te duwen, zoals sommigen van hen het uitdrukten. Tezelfdertijd kon men talrijke mannen zowel als vrouwen, oud en jong, in tranen zien; en sommigen in geestesangst, ja, in hun gelaat lijkend op veroordeelde boosdoeners, gebonden op weg naar de plaats van executie, met een zware bekommernis op hun gezicht; zodat er hier, naar ik dacht, een levendig voorbeeld verscheen van de plechtige dag van afrekening: een mengeling van hemel en hel; van onuitsprekelijke blijdschap en angst. (…)

Er bleek een krachtige Goddelijke invloed te zijn in de gemeente. Verscheidenen die, naar ik reden heb te denken, waarlijk godvruchtig zijn, waren zó diep aangedaan door een besef van hun eigen onvruchtbaarheid, en hun onwaardige behandeling van de gezegende Verlosser, dat zij Hem aanschouwden als doorstoken door henzelf, en rouwklaagden, ja, sommigen van hen kermden bitterlijk als over een eerstgeborene.

Sommige arme ontwaakte zondaars bleken ook in zielsangst te zijn om een aandeel in Christus te verkrijgen, zodat er in de vergadering een grote rouwklage was: veel zwaar gekreun, snikken en tranen! En één of twee, nieuw onder ons gekomen, werden krachtig tot ontwaking gebracht.

Mij dunkt, het zou het hart hebben verkwikt van ieder die waarlijk Sions belangen liefheeft, als hij temidden van deze Goddelijke invloed was geweest, en de uitwerkingen ervan op heiligen en zondaren had gezien. De plaats van de Goddelijke eredienst bleek zowel plechtig als zoet te zijn; en werd zó dierbaar gemaakt door een tentoonspreiding van de Goddelijke tegenwoordigheid en genade, dat degenen die enige smaak hadden in Goddelijke dingen, niet anders konden dan uitroepen: ‘Hoe lieflijk zijn Uw woningen, o Heere der heirscharen!’ Nadat de openbare eredienst voorbij was kwamen tal van mensen naar mijn huis, alwaar wij zongen en over Goddelijke dingen spraken; en de tegenwoordigheid Gods bleek ook hier in ons midden te zijn.”

 

Uit het dagboek van David Brainerd (1718-1747)